Vanmiddag meldde Autoweek dat Vrijstellingoldtimer.nl de eerste twee rechtszaken helaas heeft verloren. Er zijn inmiddels drie zaken geweest:

  1. 26 februari: 85-er BMW 535i op benzine = Verloren
  2. 17 maart: Landrover Defender Diesel = Verloren
  3. 26 maart: Chevrolet C30 op LPG = Nog geen uitspraak

Slecht nieuws dus, maar wel in de lijn der verwachting van de eerdere uitspraken. Met name de casus van een auto rijdend op benzine gezien het afgewezen bezwaar van de door anderen aangespannen rechtszaken in november. Nu is echter ook in geval van een diesel door de rechter geoordeeld dat het bezwaar ongegrond was.

uitspraak-vrijstelling-oldtimer

Hieronder een samenvatting van belangrijke punten uit de uitspraak.

Volgens eveneens vaste rechtspraak van het EHRM, is inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom van een natuurlijk of rechtspersoon alleen dan gerechtvaardigd indien de inbreuk in overeenstemming is met het nationale recht (“lawful”), de inbreuk een legitiem doel in het algemeen belang dient en er een redelijke mate van evenredigheid is tussen de gebruikte middelen en het doel dat wordt nagestreefd. Dit laatste vereist het bestaan van een redelijke verhouding (“fair balance”) tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever binnen de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid is gebleven. De rechtbank stelt voorop dat de wijziging van de Wet MRB op democratische wijze tot stand is gekomen. De wetgever heeft zijn keuze voor de huidige regeling beargumenteerd en toegelicht. De keuze van de wetgever is niet van iedere redelijkheid ontbloot. In dit verband hecht de rechtbank belang aan de omstandigheid dat de houders van oldtimers onder de vroegere wet- en regelgeving, een kleine minderheid, een voordeel hadden ten opzichte van de houders van andere motorrijtuigen. De wetgever heeft ervoor gekozen om een bepaalde groep motorrijtuigen (namelijk die tussen 25 en 40 jaar oud) per 1 januari 2014 van dit voordeel uit te sluiten. Aangezien de wetgever zelf de belastingtarieven vaststelt, moet hij de directe financiële gevolgen van zijn keuze hebben voorzien. Dat de wetgever bepaalde overige gevolgen van de regeling heeft voorzien (zoals ombouw, verkoop of schorsing) blijkt uit de brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Stichting Autobelangen van 10 maart 2014. Dat de door de wetgever ingecalculeerde gevolgen cijfermatig wellicht niet geheel zijn uitgekomen, zoals eiser met de overgelegde onderzoeksrapporten probeert aan te tonen, kan hieraan niet afdoen. Wetgeving wordt niet achteraf, met terugwerkende kracht, vastgesteld, maar voor de periode die begint op een door de wetgever te bepalen tijdstip in de toekomst.

Dus ook hier wordt geoordeeld dat de individuele last niet buitensporig groot is. De rechter gaat echter nog een stap verder als het gaat om de vraag of hobby gebruik nu niet veel te zwaar belast wordt:

De keuze om, naar eiser meent ten onrechte, geen onderscheid te maken tussen hobbymatige houders en anderen, valt eveneens binnen de beoordelingsvrijheid van de wetgever. De wetgever heeft kennelijk gekozen voor objectieve en eenvoudig controleerbare criteria. Deze keuze is redelijk en vrij gebruikelijk bij belastingheffing. Dat de invoer van oldtimers als gevolg van de eerdere overgangsregeling (motie Van Vliet) per 1 januari 2012 fors zou zijn afgenomen zodat de noodzaak van de huidige regeling voor oldtimers ontbreekt, doet hieraan niet af. Het is aan de wetgever om te beoordelen welke maatregelen op welk tijdstip geboden zijn en mits deze keuze niet van iedere redelijkheid is ontbloot, dient deze te worden gerespecteerd. Kennelijk wenste de wetgever niet alleen het aantal oldtimers te beperken, maar (vooral) het gebruik daarvan te ontmoedigen.

Hieruit spreekt nogal veel “de wetgever heeft het nu eenmaal zo bedacht ook al is dat misschien niet helemaal terecht of ideaal laat staan optimaal of eerlijk”. Blijkbaar zijn er altijd wel argumenten om een eenmaal aangenomen wet te steunen. Overigens is dit in lijn met mijn verwachting toen de wet eenmaal de eerste kamer door was.

Als ik de uitspraak zo lees, zat de zaak erg goed voorbereid in elkaar, dus complimenten hiervoor aan Wouter van Embden en zijn team. Laatste punt wat ik nog hoopvol achtte was het punt van de betrouwbare overheid. Dit zit ook in het eisenpakket en hierover oordeelt de rechter:

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Dat per 1 januari 2014 het door de vrijstellingskennisgeving van 26 september 2013 door verweerder gewekte vertrouwen is geschonden, kan de rechtbank niet volgen. Immers, uit de vrijstellingskennisgeving blijkt niet dat deze eeuwigdurend en zelfs bij wijziging van de formele wetgeving van kracht blijft.

….

Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat de wetswijziging onbillijk is of onredelijk uitpakt, merkt de rechtbank op dat het de rechtbank niet is toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen (artikel 11 van de Wet algemeene bepalingen).

En met name dat laatste vind ik wel vreemd. Eigenlijk heeft een rechtszaak aanspannen dan alleen nog zin als er procedurele fouten zijn gemaakt. De rechtbank oordeelt dat de wetgever vertrouwd wordt in dat de juiste gegevens en inschattingen gemaakt worden bij het tot stand komen van wetten en bovendien mag ze niet eens toetsen op redelijkheid?? Ik begrijp het geloof ik niet meer, maar goed we zullen zien. Ik blijf van mening dat de kansen op winst, nu of in hoger beroep, erg klein zijn.

Gelukkig voert Wouter van Embden ook nog steeds een politieke lobby. Zou het lukken om de Nederlandse regels gelijk te trekken met die in Europa?

We wachten het rustig af. Ondertussen ga ik verder met het ombouwen van mijn Amazon combi naar geheel elektrische auto. Gelukkig is die belastingvrij door z’n leeftijd, want de fiscale voordelen voor elektrisch rijden zijn al erg versoberd.